Acanthoscurria –soorten (subfamilie: Theraphosinae)
Dit genus van middelgrote vogelspinnen omvat 37 soorten die hun verspreidingsgebied in de regenwouden, pampas en savanne van Bolivia, Peru, Argentinië en Brazilië hebben. Acanthoscurria antillensis is de enige vertegenwoordiger van dit genus die veel noordelijker op de Kleine Antillen voorkomt. De spinnen zijn qua verzorging niet veeleisend en kunnen onder niet te droge omstandigheden (70-80%) worden gehuisvest bij een temperatuur tussen 25-28 oC. De spiderlings zijn zeer vraatzuchtig en groeien c.q. vervellen dan ook een sneltempo. De dieren bereiken onder goed doorvoede en warme omstandigheden gemakkelijk binnen drie jaar hun volwassen omvang. Het gif van Acanthoscurria soorten is vrij krachtig en kunnen vrij nerveus zijn.
Kweek: Een ruime bak van 30 x 40 x 25 hoog is voor deze grote soorten aan te raden, met een luchtvochtigheid van 60-70% en veel turf om schuilplaatsen te graven. Paringen met A. musculosa verliepen voorspoedig. Na de paring graven de vrouwelijke dieren zich helemaal in. Wekelijks werden de bakken licht besproeid. Het kan wel 4 tot 7 maanden voor een eicocon word geproduceerd (Verbeek, 2003). De circa 500-800 jongen komen na 6 weken uit hun cocon.
Acanthoscurria brocklehursti Cambridge, 1896
Herkomst: Brazilië
Beschrijving: Lengte 6 cm. Rugschild met diepbruine, fluwele donsharen en lange, verspreid staande, roodbruine haren. De geledingen van de poten hebben een smalle band en een zweem van lichtroze haren. De patella van alle poten hebben een tweetal lichte lengtestrepen over de segmenten. Zie foto rechts boven.
Dit genus van middelgrote vogelspinnen omvat 37 soorten die hun verspreidingsgebied in de regenwouden, pampas en savanne van Bolivia, Peru, Argentinië en Brazilië hebben. Acanthoscurria antillensis is de enige vertegenwoordiger van dit genus die veel noordelijker op de Kleine Antillen voorkomt. De spinnen zijn qua verzorging niet veeleisend en kunnen onder niet te droge omstandigheden (70-80%) worden gehuisvest bij een temperatuur tussen 25-28 oC. De spiderlings zijn zeer vraatzuchtig en groeien c.q. vervellen dan ook een sneltempo. De dieren bereiken onder goed doorvoede en warme omstandigheden gemakkelijk binnen drie jaar hun volwassen omvang. Het gif van Acanthoscurria soorten is vrij krachtig en kunnen vrij nerveus zijn.
Kweek: Een ruime bak van 30 x 40 x 25 hoog is voor deze grote soorten aan te raden, met een luchtvochtigheid van 60-70% en veel turf om schuilplaatsen te graven. Paringen met A. musculosa verliepen voorspoedig. Na de paring graven de vrouwelijke dieren zich helemaal in. Wekelijks werden de bakken licht besproeid. Het kan wel 4 tot 7 maanden voor een eicocon word geproduceerd (Verbeek, 2003). De circa 500-800 jongen komen na 6 weken uit hun cocon.
Acanthoscurria brocklehursti Cambridge, 1896
Herkomst: Brazilië
Beschrijving: Lengte 6 cm. Rugschild met diepbruine, fluwele donsharen en lange, verspreid staande, roodbruine haren. De geledingen van de poten hebben een smalle band en een zweem van lichtroze haren. De patella van alle poten hebben een tweetal lichte lengtestrepen over de segmenten. Zie foto rechts boven.
|
Acanthoscurria geniculata (Koch, 1841)
WitknievogelspinHerkomst: Brazilië (Rio Branco) Beschrijving: Lengte 7 cm. De bedekking van het kopborststuk donker mahoniebruin met grijze donsharen met een zweem van geelroze haren. Achterlijf fluweelzwart met lange, roodbruine haren. Gifkaken (cheliceren) zwart met grijze en roze haren. Patella en tibia van de poten warm bruin en zwarte femora met grijs donshaahr. Segmenten hebben aan de punt roomwitte haren. Patella en tibia van de eerste twee pootparen, voorzien van een paar roodbruine lengtestrepen. Setea op de poten bestaat uit lange, zijdeachtige, roze beharing. Onderkant fluweelzwart. Coxa van de taster (pedipalp) roodbruin met vuurrode haren. |